Onder cyberprofessionals wordt een boeiende discussie gevoerd over het realiteitsgehalte van het begrip ’cyberwar‘. Cyberwar wordt daarin beschouwd als een sciencefictionachtig conflict waardoor traditionele wapensystemen overbodig worden. Een fascinerende gedachte die, als je de publicaties over militaire cyberprogramma’s mag geloven, niet ondenkbaar is.

Veel krijgsmachten hinken bij nieuwe investeringen op twee gedachten:  vasthouden aan de oude analoge militaire concepten en tegelijk  het voorzichtig verkennen van nieuwe digitale mogelijkheden. Dat is riskant als blijkt dat je opponent deze transformatie wel  heeft  gemaakt.

Het militaire domein onderscheidt zich daarin niet van de rest van de samenleving. Immers een bedrijf dat niet effectief investeert en innoveert zal  verdwijnen. En een overheidsdienst die niet meer nuttig is, droogt langzaam op. Het bijzondere van een krijgsmacht in vredestijd is dat het niet echt op de proef wordt gesteld, waardoor de urgentie voor een pijnlijke transformatie niet voldoende wordt gevoeld. De overlevingskracht van de bestaande wapensystemen met diepgewortelde tradities en koninklijke vaandels is dan ook enorm. In een dergelijke context zal er weinig draagvlak zijn om budget af te staan aan een nieuw wapensysteem, hoe veelbelovend ook, dat zich nog moet bewijzen.

Maar wellicht is de ‘cyberwar’ allang begonnen, alleen past die ‘oorlog’ niet in ons huidige analoge denkkader? Volgende generaties zullen mogelijk onbegrijpend terugkijken op de analoge denkers die vele jaren hebben verloren in de voortzetting van hun romantische, maar obsolete militaire denkwereld.

De hele krijgsgeschiedenis zit vol met beslissende innovaties. Iedere generatie opnieuw staat voor de uitdaging om te beoordelen of een innovatie relevantie heeft of niet. Zo is het waarschijnlijk ook gegaan met de andere strategische omwentelingen die de krijgsgeschiedenis kent: het buskruit, het machinegeweer, het stoomschip, de tank, de onderzeeboot, het gevechtsvliegtuig, het kernwapen, allemaal voorbeelden van nieuwe technologieën waarbij ‘Early Adopters grote strategische voordelen konden halen ten koste van onwetende opponenten. Maar het is natuurlijk niet zo simpel. Niet alle nieuwe technologieën zijn immers in het verleden ook militair bruikbaar gebleken. Denk aan de zeppelin, chemische en biologische wapens, het pantserschip en het watervliegtuig.  Alhoewel sommige van deze uitvindingen wel weer in enige vorm zijn teruggekomen, is de boodschap duidelijk: niet elk nieuw idee is ook een goed idee.

De vraag is welke positie cyberwar zal gaan krijgen.  Is het alleen techniek, is het een ander concept, of is het gewoon een nieuw element dat op termijn een eigen plekje krijgt naast het analoge arsenaal? Of is het misschien echt iets heel anders, een ‘gamechanger’, iets wat we met onze huidige denkramen nog niet kunnen overzien en waardoor het concept ‘oorlog’ iets wordt voor de geschiedenisboekjes?

Zelfs onder cyberdeskundigen is cyberwar een moeilijk voorstelbaar fenomeen. Zolang er geen CNN-reports zijn geweest van spectaculaire en beslissende cyberoorlogen, zal het debat over de strategische betekenis van cyberwar dan ook voortduren. Maar zolang er buitenlandse politiek is en er soevereine staten zijn, zullen er internationale conflicten en escalaties blijven. De Stuxnet aanvallen op Iranese computernetwerken en de Snowden-publicaties tonen aan dat cyberinstrumenten van grote invloed zijn geweest op buitenlands beleid en/of bij het creëren van nieuwe machtsverhoudingen. Of het gebruik van cyberinstrumenten ook de angstaanjagende hoogste trede van de  militaire escalatieladder zullen gaan innemen, lijkt nu nog niet denkbaar.

Voorlopig koesteren wij onze analoge vrede. De toekomst zal uitwijzen of dat verstandig was.